Socioloog, publicist, programmamaker

Ook ik was een asielzoeker, maar in een andere tijd

Ooit heb ik uit het Midden-Oosten mijn weg naar uw Nederland gevonden. Door de grootste minderheid (reminder: geen meerderheid) die aan Wilders is verknocht, zou ik dus makkelijk weggezet kunnen worden als een gelukszoeker.

Het is bijna 35 jaar geleden. Ik behoorde bij de eerste lichting vluchtelingen die centraal werd opgevangen. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) was er net. Ik kwam op een koude februaridag in 1988 terecht in een van de eerste AZC’s in het prachtige Zeeuwse Goes. We waren met zo’n 200 asielzoekers, en ongeveer evenveel personeel en vrijwilligers om ons heen. Dat verblijf heeft 2,5 maand geduurd. Een mooie tijd. De kunst van het koken is niet echt aan Zeeuwen besteed (sorry, mooi Zeeland), maar ze hebben een hart van goud. De vooral gelovige christelijke gemeenschap handelde naar haar geloof. Ik en mijn lotgenoten voelden ons welkom.

Mijn volgende bestemming was een kleinere gemeente: Nieuwegein. Hier kwam ik terecht met twee andere jonge Iraniërs in een eengezinswoning. Zo was het beleid toen. Kleinschalige AZC’s voor een korte tijd en vervolgens kansrijke asielzoekers verspreiden door het land, naar de zogenaamde Regionale Opvanghuizen. Volgens mij was dat een wijs beleid en het hielp ons om vloeiend en vlot te wennen aan Nederland en Nederland aan ons. Dat ging niet altijd soepel en vanzelfsprekend, moet ik zeggen. Buurvrouw Rieneke en haar man Henk waren aanvankelijk niet blij met ons bij onze aankomst. Sterker nog, een van de vrijwilligers van het plaatselijke Vluchtelingenwerk waarschuwde ons ervoor dat Henk en Rieneke er wellicht racistische gedachten erop na hielden. Wat was het geval? Het net gepensioneerde arbeidersgezin had zich kort voor onze aankomst kritisch uitgesproken in de plaatselijke krant. Ze vonden het oneerlijk dat ons zomaar een huis werd toegewezen, terwijl hun twee kinderen die net uit huis waren, lang moesten wachten op de lijst voor een sociale woning.

Het hielp dat een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk, zelf een in Nederland gesettelde Iraanse, op de tweede dag met een bos bloemen meeging om ons voor te stellen aan Rieneke en Henk. Het ijs was meteen gebroken, wij werden hechte buren. Sterker, toen ik taallessen ging volgen en mij voorbereidde op het toelatingsexamen van de Universiteit Utrecht, zei Rieneke: “Jongen, je bent doodop als je thuiskomt, kom doordeweeks ’s avonds met ons eten, dan leer je ook nog sneller Nederlands”. Dat hele jaar heb ik doordeweeks bij Rienneke en Henk gegeten. Vooral Rienekes gehakballen waren magnifiek. Als dank stuurden mijn ouders elke maand zakken vol Perzische pistachenoten voor Henk en Rieneke. Ik had ze geschreven, over de zorg die ik van deze buren kreeg en dat ze pistachenoten lekker vonden bij hun avondborreltje.

De menselijke maat van de opvang was toen nog niet zoek. Het AZC was nog geen massa-industrie. De neoliberale mens en de samenleving vernietigende obsessie met “opschaling” waren nog geen dogma. Het COA leidde de nodige capaciteit nog niet af van kortzichtige rendementsformules. Asielzoekers en Nederlanders kregen de kans elkaar te leren kennen – voorbij de wegwerptermen die de pijn en onzekerheid van beide groepen tekortdoen: de gelukszoeker versus de racist.

Maar misschien nog belangrijker, het regime van het “ontmoedigingsbeleid” was nog niet ingezet. Er was nog geen sprake van de belemmering van de integratie van de asielzoeker in de samenleving om zo, om in ambtenarenjargon te spreken, een “aanzuigende werking” te voorkomen.

De asiellichtingen na mij werden in toenemende mate als paria behandel. Asielopvang werd intensieve menshouderij. Steeds meer afgelegen grootschalige asielcentra dichtbij piepkleine plaatsjes, tot grote frustratie van de zich geïntimideerd voelende inwoners.

De lichtingen die na mij kwamen waren niet minder gemotiveerd dan ik. Of ze uit een dictatuur waren gevlucht of een oorlog of een natuurramp hadden overleefd, het noodlot overleven geeft enorm veel kracht. Als asielzoekers in de afgelopen decennia vanaf de eerste dag te horen hadden gekregen: “wil je hier wonen, dan moet je met blote handen je huis bouwen”, dan hadden ze dat beslist gedaan en waren ze daarin glorieus geslaagd. Dan was Nederland inmiddels rijk aan veel meer woningen. En als asielzoekers in de afgelopen decennia meteen hun eigen brood hadden mogen verdienen, dan was er niet zo’n tekort aan arbeidskrachten als nu. Maar de wil om in het nieuwe land alles op alles te zetten wordt bij asielzoekers in de kiem gesmoord. Eerst moeten ze jarenlang in een semi-detentiesituatie verblijven. Daarna bestaat er de torenhoge verwachting om snel te integreren, tevergeefs.

De lichtingen die naar mij kwamen, kregen ook steeds meer te maken met een samenleving die hen als onwelkome parasiterende binnendringer is gaan beschouwen, precies door hetzelfde “ontmoedigingsbeleid” dat de asielzoeker de weg naar werk de pas afsneed. Dat we straks opgescheept zitten met een extreemrechtse premier is mede het gevolg van decennialang frustrerend en ondoordacht asielbeleid.

Nederland is mijn land geworden. Ik voel mij meer dan thuis in de taal en heb aan artikelen en boeken mogen meeschrijven. Ik heb aan universiteiten mogen lesgeven. Last but not least, ik heb de geboorte van mijn drie prachtkinderen hier mogen vieren. Hier ben ik, een volwaardige burger van Nederland. Mede dankzij Henk en Rieneke. En mede dankzij een kleinschalig en humanitair beleid, zowel voor de asielzoekers als voor de bestaande bewoners in Nederlandse dorpen en steden. Wij de burgers, en politici, onze vertegenwoordigers moeten dat beleid opnieuw uitvinden en omarmen.

Dit artikel is een geactualiseerde bewerking van een in 2015 in NRC gepubliceerd pleidooi. Ik schreef de nieuwe versie op uitnodiging van Sahar Noor, die mij vroeg om mee te doen met de online campagne #ikwasookeenasielzoeker.

Meer over:

QOSHE - Als we straks een extreemrechtse premier hebben, is dat mede te danken aan frustrerend en ondoordacht asielbeleid - Shervin Nekuee
menu_open
Columnists Actual . Favourites . Archive
We use cookies to provide some features and experiences in QOSHE

More information  .  Close
Aa Aa Aa
- A +

Als we straks een extreemrechtse premier hebben, is dat mede te danken aan frustrerend en ondoordacht asielbeleid

51 6
12.01.2024

Socioloog, publicist, programmamaker

Ook ik was een asielzoeker, maar in een andere tijd

Ooit heb ik uit het Midden-Oosten mijn weg naar uw Nederland gevonden. Door de grootste minderheid (reminder: geen meerderheid) die aan Wilders is verknocht, zou ik dus makkelijk weggezet kunnen worden als een gelukszoeker.

Het is bijna 35 jaar geleden. Ik behoorde bij de eerste lichting vluchtelingen die centraal werd opgevangen. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) was er net. Ik kwam op een koude februaridag in 1988 terecht in een van de eerste AZC’s in het prachtige Zeeuwse Goes. We waren met zo’n 200 asielzoekers, en ongeveer evenveel personeel en vrijwilligers om ons heen. Dat verblijf heeft 2,5 maand geduurd. Een mooie tijd. De kunst van het koken is niet echt aan Zeeuwen besteed (sorry, mooi Zeeland), maar ze hebben een hart van goud. De vooral gelovige christelijke gemeenschap handelde naar haar geloof. Ik en mijn lotgenoten voelden ons welkom.

Mijn volgende bestemming was een kleinere gemeente: Nieuwegein. Hier kwam ik terecht met twee andere jonge Iraniërs in een eengezinswoning. Zo was het beleid toen. Kleinschalige AZC’s voor een korte tijd en vervolgens kansrijke asielzoekers verspreiden door het land, naar de zogenaamde Regionale Opvanghuizen. Volgens mij was dat een wijs beleid en het hielp ons om vloeiend en vlot te wennen aan Nederland en Nederland aan ons. Dat ging niet altijd soepel en vanzelfsprekend, moet ik zeggen. Buurvrouw Rieneke en........

© Joop


Get it on Google Play