Vanmorgen liep ik langs het huis waar ik ben geboren in de Jacob Obrechtstraat. Dat zijn ze aan het ‘renoveren.’ De schitterende glas-in-loodramen die mijn grootvader had ontworpen, zijn er al uit gesloopt. Dom, dom, dom.

Maar het is mijn huis niet en ik heb er alleen herinneringen aan en ach, niets blijft zoals het is. En die herinneringen, voor zover ik ze nog kan oproepen, zullen wel verkeerd of verkleurd zijn.

Laat ik blij zijn dat dit huis nog bestaat. Zolang het me doet denken aan mijn grootouders en mijn ouders, leven die nog wat tussen de neuronen in mijn kop.

Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik herinneringen heb.

Mijn vader vertelde eens dat de gevangenen in het kamp in Siam soms plattegronden maakten van hun huis en dan zeiden: “Kijk, zo woonde ik.”

En de ene herinnering riep de andere op: “Hadden jullie in de gang ook een tafeltje met een kan met water?”

“Ja, en wij hadden hier op de voorgalerij een bank waarop de hond altijd sliep.”

“Als wij op de voorgalerij zaten, konden we de bergen zien.”

Het gaf ze schuldig geluk. Dat is geluk dat je ondervindt in bijvoorbeeld het kamp, op een plek waar je eigenlijk niet gelukkig hoort te zijn.

Toen ik thuiskwam, zette ik de televisie aan en zag verkleumde mensen in Oekraïne. Ze zaten rond een vuurtje en dronken thee en lachten. Ze hadden thuis geen elektriciteit en geen water. Het zag er gezellig uit. Vooral ook omdat je ze zag lachen.

Schuldig geluk.

Ze hoorden niet te lachen en ze leden waarschijnlijk ook – de voice-over vertelde dat sommigen geen huis meer hadden – maar ze maakten er iets van.

Schuldig geluk, het was ook de reden dat mijn ouders over veel zwegen.

In dat huis in de Jacob Obrechtstraat kwam weleens een vriendin van mijn moeder met wie ze in het kamp had gezeten. Het moet eind jaren vijftig of begin jaren zestig zijn geweest. Ik was in mijn kamertje (‘Niet zomaar binnenkomen hè!’) en hoorde mijn moeder lachen.

“Waarover moesten jullie lachen?” vroeg ik mijn moeder toen ‘tante’ weg was.

Ik zag, hoe jong ik ook was, dat mijn moeder door die vraag in verlegenheid werd gebracht.

“’We lachten niet echt,” zei ze.

“Ik hoorde jullie wel echt lachen.”

“Ach, om een grapje in het kamp waar mamma gevangen zat.”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

QOSHE - Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik herinneringen heb Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik herinneringen heb - Theodor Holman
We use cookies to provide some features and experiences in QOSHE

More information  .  Close
Aa Aa Aa
- A +

Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik herinneringen heb Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik herinneringen heb

9 2 0
28.11.2022

Vanmorgen liep ik langs het huis waar ik ben geboren in de Jacob Obrechtstraat. Dat zijn ze aan het ‘renoveren.’ De schitterende glas-in-loodramen die mijn grootvader had ontworpen, zijn er al uit gesloopt. Dom, dom, dom.

Maar het is mijn huis niet en ik heb er alleen herinneringen aan en ach, niets blijft zoals het is. En die herinneringen, voor zover ik ze nog kan oproepen, zullen wel verkeerd of verkleurd zijn.

Laat ik blij zijn dat dit huis nog bestaat. Zolang het me doet denken aan mijn grootouders en mijn ouders, leven die nog wat tussen de neuronen in mijn kop.

Er zijn zo veel huizen in Amsterdam verdwenen waaraan ik........

© Parool


Get it on Google Play