We use cookies to provide some features and experiences in QOSHE

More information  .  Close
Aa Aa Aa
- A +

Lichaam van Christus verkeert tot het einde in doodsnood

16 0 0
12.01.2019

Onze oud-premier Dries van Agt bekende enige tijd geleden dat hij, bij waarneming van de ontzagwekkende kosmos, aangevochten werd in zijn Godsgeloof. Nochtans raakte hij dat geloof niet kwijt. Het nestelde zich in mijn denken en dijde uit tot de hier volgende overpeinzing.

Men kan tegenwerpen dat God toch de Schepper is van al die sterrennevels, kometen en planeten? Maar juist dan is het een ondoorgrondelijk mysterie dat God, die dit alles geschapen heeft (en de wetenschappelijke mens ontdekt nog steeds meer), dat kleine stipje aarde in het oog heeft gehad en daarop de enkele nietige mens. Ook de psalmist tastte al aan dat geheimenis: „Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt, wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet?” (Ps. 8:4-5). Intussen omrankt de psalmist deze woorden nochtans met de verwondering en de lofzegging: „Heere, onze Heere, hoe machtig is Uw naam op de hele aarde” (vers 1 en 10).

Pascal

Ook de grote natuurkundige/filosoof Blaise Pascal (1623-1662) wist van het overweldigende van de kosmos, maar ook van de kennis van de nederige mens daarin en van liefde. Hij schreef in zijn ”Pensées”: „Alle lichamen, het uitspansel, de sterren, de aarde en haar koninkrijken wegen niet op tegen de minste der geesten; want hij kent èn dit alles èn zichzelf; de lichamen kennen niets. Alle lichamen tezamen, en alle geesten tezamen, en al wat zij voortbrengen, wegen niet op tegen de minste beweging van liefde; dat is van oneindig hoger orde. Aan alle lichamen tezamen zou men geen kleine gedachte weten te ontlokken: dat is onmogelijk en van een andere orde. Aan alle lichamen en alle geesten zou men geen beweging van ware liefde kunnen ontlokken; dat is onmogelijk, en van een andere orde, bovennatuurlijk.”

Hij zegt verder: „Als ik de korte duur van mijn leven beschouw, verzwolgen in de voorafgaande en volgende eeuwigheid, de kleine ruimte die ik vul (...) verschrik ik en verwonder mij erover (...) Door wiens orde en beleid zijn deze plaats en tijd voor mij bestemd?” En dan ook: „Het is het hart, dat God voelt en niet het verstand. Dat is geloof. God waarneembaar voor het hart, niet voor het verstand.” „Het hart kent zijn redenen, die de rede niet kent.” En, zegt hij in zijn beroemde Memorial (1654): „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enig ware God, en dien Gij gezonden hebt. Jezus Christus. Ik heb er mij van afgekeerd. Ik heb Hem gemeden, verloochend, gekruisigd. Moge ik nimmer van Hem gescheiden worden.”

De „minste der geesten”, zeg: de meest eenvoudige, leert inderdaad anders en verder kijken dan louter naar wat zich indrukwekkend voordoet in de kosmos. Hij weet van liefde. Die is ten volle openbaar geworden toen het de Eeuwige God behaagde op dat kleine stipje aarde zich in de gestalte van een Mens te openbaren. God had de wéreld lief. Hier krijgt elke menselijke overmoed, elke vorm van triomfalisme - wetenschappelijk, kerkelijk, persoonlijk - de genadeslag. De lofzegging wordt daarentegen nog machtiger.

Lijden

Hier doemt tegelijkertijd een ander diep mysterie op. Dat God Mens werd, was nodig omdat de........

© Reformatorisch Dagblad